Opgroeien bij je eigen ouders. Voor de meeste kinderen is dit de gewoonste zaak van de wereld. In sommige gezinnen echter zijn de problemen zo groot dat een kind (tijdelijk) niet thuis kan wonen. Als dit kind in een ander gezin gaat wonen en dat is officieel geregeld dan spreken we van pleegzorg.
Een pleegkind is dus een kind dat niet bij zijn vader of moeder, maar bij iemand anders woont. Soms woont het daar een paar weken of maanden. Soms zijn hele jeugd. Pleegkinderen zijn gewone kinderen, net als andere, maar vaak hebben ze meer meegemaakt dan andere kinderen. Het zijn kinderen met verschillende culturele en religieuze achtergronden, allochtoon en autochtoon, jongens en meisjes, kinderen met leerproblemen, met gedragsproblemen, etc... Kortom elk kind is anders en heeft zijn eigen levensverhaal.
Pleegouders zijn volwassenen die in hun gezin een kind opvangen dat voor korte of lange tijd niet bij zijn eigen ouders kan wonen. Iedereen kan zich spontaan melden om een onbekend kind op te vangen maar een pleegouder kan ook een oom en/of tante, oma en opa, de buurvrouw of de juf van school zijn.
Pleegzorg is geen adoptie. Slechts heel uitzonderlijk wordt een pleegkind door zijn/haar pleegouders geadopteerd. In de meeste gevallen houdt het kind contact met zijn eigen ouders en familie. Er wordt naar gestreefd dat het kind weer terug gaat naar de eigen ouder(s). Kinderen worden niet zomaar uit huis geplaatst. Pleegzorg wordt enkel ingeschakeld bij problemen in het thuismilieu. Bij heel ernstige en langdurige opvoedingsproblemen komen kinderen en jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg terecht. Deze wordt in Vlaanderen georganiseerd door de Jeugdrechtbanken en de Comités voor Bijzondere Jeugdzorg. Dit zijn instanties die kunnen beslissen dat pleegzorg nodig is. Jeugdrechters beslissen autonoom (leggen afdwingbare maatregelen op). De Comités voor Bijzondere Jeugdzorg kunnen enkel tot pleegzorg beslissen met instemming van de ouders. In het laatste geval moeten jongeren vanaf 14 jaar ook akkoord gaan. Onder 14 jaar worden ze gehoord. Pleegouders voeden hun pleegkind nooit alleen op. Naast de eigen ouders, zien ook de consulent van de Jeugdrechtbank of het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg en de pleegzorgbegeleider van Opvang toe op de pleegzorgplaatsing.
Pleegzorg kan ook preventief ingezet worden als ondersteuning bij tijdelijke moeilijke levensomstandigheden. Dergelijke opvangperiodes duren maximaal 3 maanden. Als pleegouder heb je dan enkel contact met de ouders en de pleegzorgbegeleider. Een steunrelatie is een andere vorm van preventieve gezinsondersteuning. Terwijl de kinderen gewoon thuis blijven wonen, helpt een steungezin om een moeilijke periode te overbruggen. De steun aan ouders en hun kinderen varieert volgens hun noden en kan heel beperkt of iets uitgebreider zijn.